Blog - laatste nieuws

Waarom een gemeente zich niet achter de aannemer kan verschuilen

Dit is het tweede artikel in een serie van drie over TVM- taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Dit artikel gaat over verantwoordelijkheden: de vergewisplicht toepassen.

TVM-bord artikel 2 (Verantwoordelijkheden) - banner (1280x720)

Op 14 oktober 2020 deed de rechtbank uitspraak over een fietsongeval in Groesbeek, gemeente Berg en Dal (ECLI:NL:RBOBR:2020:4978). Een aannemer had in opdracht van de gemeente borden geplaatst om verkeer op een fietspad naar het fietspad aan de overzijde van de weg te sturen. De aannemer verzuimt om dat verkeer na passeren van de werkzaamheden met borden terug te sturen en om tegemoetkomend verkeer met borden op tegenliggers te wijzen. Hierdoor ontstond er een aanrijding op het fietspad tussen een fietser en tegemoetkomende snorfietser.

De WAM-verzekeraar van de snorfietser stelde de gemeente en de aannemer aansprakelijk voor de door de fietser geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. De gemeente verweerde zich met artikel 6:171 BW: aansprakelijkheid voor een niet-ondergeschikte geldt niet voor de overheid, dus zou de aannemer verantwoordelijk zijn, niet zijzelf. Feitelijk had de gemeente daarmee gelijk: artikel 6:171 BW ziet inderdaad niet op overheidstaken. Maar dat hielp haar niet. De rechtbank hield haar via een andere weg alsnog aansprakelijk.

Een wegbeheerder kon zich niet achter de aannemer verschuilen die het verkeersplan uitvoerde. De Gemeente is wegbeheerder en werd veroordeeld op basis van onrechtmatig handelen (artikel 6:162 BW). Zij was toerekenbaar tekortgeschoten in de naleving van haar algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid voor weggebruikers. Er was op de plek van het ongeval door het ontbreken van correcte bebording een gevaarzettende situatie met grote kans op ongelukken en het was voor de Gemeente niet bezwaarlijk om daartegen maatregelen te nemen (kelderluikcriteria). Doordat de bebording onvoldoende en/of onjuist was geweest, is sprake van handelen of nalaten van de gemeente zelf, ook al is voor de feitelijke uitvoering gebruik gemaakt van een andere partij.

Dit vonnis is relevant voor iedere gemeente, provincie of waterschap die tijdelijke verkeersmaatregelen laat uitvoeren. Dat sluit direct aan op wat ik vorige week schreef in “Een BRL 9101-certificaat is geen bewijs van vakbekwaamheid”: een BRL 9101-certificaat toont vakkennis aan, niet vakbekwaamheid. Dit vonnis laat zien wat dat verschil in de praktijk kan kosten.

Wegbeheer is een overheidstaak die je niet wegcontracteert

De rechtbank oordeelde dat het beheer van wegeninfrastructuur een overheidstaak is die zich niet laat wegcontracteren. Het handelen, of nalaten, van de aannemer bij de uitvoering van verkeersmaatregelen wordt daarom toegerekend aan de gemeente zelf, als was het haar eigen gedraging. Gemeente en aannemer werden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade van het slachtoffer.

Dit sluit aan bij een bredere verplichting: de vergewisplicht van artikel 2.26 Arbeidsomstandighedenbesluit. Die verplicht een opdrachtgever om zich in de ontwerpfase te vergewissen dat het werk veilig en volgens de geldende richtlijnen kan worden uitgevoerd. Belangrijke nuance: ‘vergewissen’ is bewust geen ‘zekerstellen’. Het is een inspanningsverplichting, geen resultaatsverplichting, en geen doorlopende goedkeuringsplicht tijdens de uitvoering zelf.

Jurist en veiligheidskundige Adam Ziolo publiceert daar ook geregeld scherpe analyses over, met rechtspraak die laat zien dat deze verplichting allerminst vrijblijvend is.

Maar de wegenverkeerswet is wel duidelijk over wie er verantwoordelijk is voor verkeersmaatregelen. Daar kom ik in een volgend artikel op terug.

Een verkeersplan hebben is niet hetzelfde als het beoordeeld hebben

De officiële Werkinstructie Bouwprocesbepalingen van de Nederlandse Arbeidsinspectie, het handboek waarmee inspecteurs toetsen, is expliciet van toepassing op wegenbouw- en GWW-projecten, dus ook op verkeersplannen en BLVC-trajecten.

Onderscheid dat de werkinstructie maakt: standaardrisico’s (individueel werken op hoogte, tillen) horen thuis in de standaard RI&E van de aannemer zelf; bijzondere gevaren en samenloopgevaren (zoals interactie met doorgaand verkeer) horen in het project-specifieke RI&E, V&G- of BLVC-plan. Het meest concrete punt daaruit: het enkel noemen van een standaardmaatregel als ‘verkeersplan’ is niet voldoende om aan de vergewisplicht te voldoen. Beoordeeld moet worden of dát verkeersplan ook daadwerkelijk op déze kruising, dit wegvak, voor déze doelgroepen (fietsers, schoolgaande kinderen, hulpdiensten) uitvoerbaar is.

Praktische hulpvragen uit de werkinstructie (te gebruiken als toetsingskader) zijn:

  • Is er voor het verkeersplan een coördinator ontwerpfase (en eventueel uitvoeringsfase) aangesteld, en is die op tijd aangehaakt, dus vóórdat de afzetting of omleiding wordt uitgevoerd?
  • Heeft de opdrachtgever een schriftelijke overeenkomst met de uitvoerende partij, waarin precies is vastgelegd wie het verkeersplan opstelt, wie het beoordeelt en wie de afzetting feitelijk plaatst?
  • Hanteert de opdrachtgever ‘past performance’ (eerdere prestaties specifiek op verkeersveiligheid bij vergelijkbare BLVC-trajecten) als selectiecriterium bij aanbesteding?
  • Is de veiligheidscoördinatie voor de verkeersmaatregel bij één naam belegd, en ziet de opdrachtgever erop toe dat die coördinator ook daadwerkelijk aanwezig is op de kritieke momenten, zoals het plaatsen en verwijderen van de afzetting?

Ook bestuursrechtelijk niet vrijblijvend

Naast deze civielrechtelijke route bevestigt ook het bestuursrecht dat een publieke opdrachtgever een eigen, niet-overdraagbare verantwoordelijkheid draagt. In een andere zaak (ECLI:NL:RBOVE:2020:243), die een gemeente circa € 750.000 aan stilleggingsschade kostte, oordeelde de rechtbank dat de gemeente als opdrachtgever normadressaat is van artikel 2.26 en 2.28 Arbobesluit: publiekrechtelijk verantwoordelijk, niet alleen contractueel. Die lijn raakt niet alleen gemeenten, maar elke overheid die als opdrachtgever van bouwwerken optreedt: provincies, waterschappen en het Rijk.

Wat dit praktisch betekent voor jou

  • Beoordeel een verkeersplan of BLVC-plan niet op het enkele feit dát het er is, maar op locatiespecifieke uitvoerbaarheid.
  • Verwijs in het plan expliciet naar de toegepaste CROW-richtlijnen WiU 96b en motiveer waarom die passend is voor de specifieke locatie of waarom er volgens het optimalisatieprincipe van wordt afgeweken: dat versterkt je positie aantoonbaar.
  • Leg de vergewisplicht-beoordeling zelf vast: welke risico’s zijn onderkend, welke alternatieven overwogen, waarom is voor deze aanpak gekozen.

Mijn stelling

Wegbeheer is een overheidstaak, geen contractpost. Wie als wegbeheerder of opdrachtgever op basis van een BRL-certificaat een verkeersplan afvinkt zonder zelf te beoordelen of het op déze locatie werkt, loopt een risico dat de rechter, zoals in Groesbeek, de schade gewoon aan hem toerekent.

Sta jij bij je lopende TVM-trajecten sterk genoeg om aan te tonen dát je je hebt vergewist, of staat er alleen ‘het aanleveren van een verkeersplan’ als goedkeuringseis?

Op onze pagina Verder dan de BRL 9101 leg ik uit welke leergangen en cursussen je de verdieping bieden, zodat je je van de juiste kwaliteit kunt vergewissen. Je bent nog op tijd om mee te doen, want het cursusseizoen begint op 15 september.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

© Veringmeier Opleidingen